De Lentestop, deel XXVII: De broer van

Nederland gaat sporadisch weer naar buiten, maar houdt wel anderhalve meter afstand. De cafés zijn nog gesloten, maar Sportpark Akkermolen komt stilletjes aan weer tot leven. Terwijl het aantal Coronapatiënten in de ziekenhuizen terugloopt, schrijft een delegatie Moerse Boys-leden vrolijk verder. Iedere woensdagavond, zaterdagochtend en zondagochtend verschijnt onder de noemer De Lentestop een column/verhaal/artikel op de website. Leesvoer voor u. Vandaag deel 27: De broer van.

Als mensen uit de omgeving van Zundert mij vroeger weleens vroegen wie ik was, dan noemde ik eerst mijn eigen naam. Als er dan geen lampje ging branden bij de desbetreffende persoon, zei ik er gelijk achteraan ‘de broer van Daan van den Broek’. Aha, klonk het dan meestal. ‘Kan jij ook zo goed voetballen?’ was dan vaak ook de vervolgvraag. ‘Nee helaas niet’ zei ik vervolgens wat sikkeneurig. Ik was de broer van.

Achtertuin
Vanaf jonge leeftijd bleek al snel dat Daan beter was in spelletjes en sporten die we samen deden. Vaak met gevolg van menig driftbui van ondergetekende. Onlangs zag ik nog een filmpje van vroeger waar de hele buurt was uitgelopen voor de ‘Tour de Steenovenakker’. Onze straat was een cirkel die zodoende was omgedoopt tot wielrencircuit. Dit enkele keren leidend tot gevaarlijke situaties maar zover mijn geheugen gaat, heeft er behoudens wat valpartijen met wat schaafwonden als gevolg, geen ernstig ongeluk plaatsgevonden. Hoe dan ook, Daan kroonde zich ondanks dat hij vaak de jongste van het stel was, vaak tot winnaar van deze wielerklassieker.

Toen hij ook ging voetballen was al snel duidelijk dat ik ook hier het onderspit moest delven. Ik kwam in de jeugd wel een paar keer voor in het clubbladje in de hoogste regionen bij de topscoorders maar moest altijd wel namen als Dirk Harezlak voor me dulden. Toen ook duidelijk was dat mijn twee jaar jongere broertje beter dan mij was, heb ik denk ik de overstap naar het doelgebied gemaakt. Vele uren werden er vervolgens besteed in de achtertuin. Ik tegen de muur als keeper, hij zijn inmiddels befaamde vrije trappen oefenend. Destijds tot grote ergernis van onze ouders aangezien het grasveld op sommige plaatsen hier zichtbaar onder leed. 

Bekerfinale
Niet gek was het dat na een paar jaar Willem II een telefoontje pleegde richting Moerse Boys om te vragen of Daan zin had om daar te voetballen. Deze vraag werd uiteraard met een volmondig ja beantwoord. Vijf jaar lang, vier keer per week naar Tilburg. Geen spelen met vriendjes na schooltijd maar trainen op de groene zoden. Klagen? Nee hoor, hij deed immers dat wat hij het liefst deed. Dat hij in die vijf jaar vooral als rechtsback fungeerde zal menig lezer hier raar van opkijken, dat deden wij overigens ook.

 Terugkerend bij Moerse Boys was hij gelijk weer in zijn element. Terug naar de ’10-positie’ strooiend met passes waar een spits alleen nog maar tegenaan hoefde te lopen of vaak ook zelf als afmaker. In mijn laatste jaar als junior speelde we samen de bekerfinale. Onze leider destijds stond erop dat Daan mee zou doen in die wedstrijd, ondanks dat hij nog een B-junior was, en iedereen had daar vrede mee. In die wedstrijd bleek ook waarom want zoals verwacht had hij bij elke goal een beslissende rol. Onze eerste ‘echte’ prijs samen, nog altijd een memorabel moment in huize Van den Broek.

 Nu dus weer al vele jaren florerend in het eerste elftal van Moerse Boys. Vele clubs deden al navraag of hij geen zin had om een keer wat hoger of tegen een ‘kleine’ vergoeding bij een andere club wilde voetballen. Negen van de tien kregen direct een nee ondanks de leuke onkostenvergoeding. Een enkele keer heeft hij getwijfeld maar wanneer hij diep in zijn hart nadacht, kwam hij tot het besef dat hij nu bij een club voetbalt die uniek in zijn soort is.

Trots
Vorig jaar tijdens het gala van BN De Stem, in de kantine van VV Hoeven, werd Daan verkozen tot Speler van het Jaar van de regio West-Brabant. Grote namen als Perry Bierkens, Ruben Maas en Jorik Mijnheimer waren zijn concurrenten maar gingen met lege handen naar huis. ‘Een teamprestatie’ noemde hij het destijds, bescheiden als altijd. Ikzelf was ook aanwezig die avond, vechtend tegen de tranen toen mijn broers naam werd omgeroepen om naar voren te komen. Tranen van trots welteverstaan. Mijmerend naar de vele uren in de achtertuin, de bekerfinale in de A-jeugd en de vele momenten dat hij beslissend was voor ons vlaggenschip. 

Eerlijk is eerlijk, ik moet bekennen dat ik vroeger weleens jaloers was. Maar zoals in de vorige alinea refererend, heeft die jaloezie plaatsgemaakt voor onvoorwaardelijke trots. Als tegenwoordig nog iemand vraagt wie ik ben zeg ik weer eerst mijn naam. Als dan weer een groot vraagteken verschijnt op diens gezicht zeg ik met een brede trotse lach, ‘de broer van Daan van den Broek’.